Taalbeleid
Inloggen   
Leerlingen >> Taalbeleid

Woorden van de week
In het kader van het taalbeleid op het Alfrink College is in november 2011 een nieuw project gestart onder de titel: “woorden van de week”. Iedere week worden met name de brugklassers geconfronteerd met tien nieuwe woorden, die in de verschillende lessen steeds weer terugkeren. Het doel is de woordkennis te vergroten en daarmee met name het begrijpend lezen te bevorderen. De woorden van de week worden op deze pagina gepubliceerd, zodat ouders ook thuis aandacht kunnen besteden aan dit stukje taalbeleid.
WOORDEN VAN DE WEEK 18 (14 t/m 18 mei)
Bereid zijn = willen doen
De directeur was niet bereid het laatste uur vrij te geven. De leerlingen moesten blijven.

Regelmatig = op vaste tijden
Het is belangrijk om regelmatig, ongeveer twee keer per jaar, naar de tandarts te gaan.

Verhinderen = zorgen dat iets niet gebeurt
De dranghekken moeten verhinderen dat er mensen door de optocht heen lopen.

Het tekort aan = als er te weinig van iets is
Door de hete zomer was er in Japan een tekort aan drinkwater.

Het voorstel = het plan
Yuri deed het voorstel om met de klas naar de film te gaan. Iedereen vond dat een goed plan.

Besteden = iets ergens voor gebruiken
Ik besteed deze maand geen geld meer aan kleding. Ik heb al een nieuwe jas gekocht.

De omvang = hoe groot of breed iets is
Door de enorme omvang past die boom bijna niet meer in de tuin.

Gunstig = goed
De kansen van ons elftal zijn gunstig. We gaan vast winnen!

Immers = want
Ik denk niet dat Aron meegaat naar de stad. Hij heeft immers geen tijd.

Verreweg = voor een groot deel
Verreweg de meeste mensen keken naar de voetbalwedstrijd. Er was bijna niemand op straat.
WOORDEN VAN DE WEEK 17 (7 t/m 11 mei)
Het resultaat = het gevolg, de uitkomst
Mesut heeft een goed resultaat gehaald bij de schaakwedstrijd. Hij heeft er ook hard voor geoefend.

Het ideaal = wat je heel graag wilt
Wat is jouw ideaal? Ik wil later verpleegster worden en zieke mensen helpen.

De aanleiding = datgene waardoor iets gebeurt
De voorlichtingsavond over volleybal was voor Faye aanleiding om zich in te schrijven bij een volleybalclub.

Bedreigen = slecht, gevaarlijk zijn voor
Een grote olievlek bedreigt de stranden van de Noordzee. Er zijn al vogels gestorven.

Aanvaarden = aannemen, je niet verzetten tegen iets
Ali moet aanvaarden dat hij drie weken in bed moet blijven om beter te worden, ook al heeft hij daar geen zin in.

Iets vervaardigen = iets maken
Barend heeft deze stoel uit echt beukenhout vervaardigd.

Erkennen = toegeven, zeggen dat iets zo is
De minister moest erkennen dat hij een fout had gemaakt.

De bestemming = de plaats waar iets of iemand naar toe moet
Gisteren is het vliegtuig vertrokken met bestemming Istanbul. Het is daar om 13.00 uur geland.

Officieel = volgens de regels
Je mag hier nu even kopiëren, maar officieel mag het niet.

De tegenstelling = het verschil tussen mensen of dingen
Er zijn veel tegenstellingen tussen die broers. Ze denken over alles anders en ze zien er ook anders uit.
WOORDEN VAN DE WEEK 16 (23 t/m 27 april)
De ontwikkeling = de groei, als iets verandert
Die sporter heeft een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Hij hoort nu bij de besten van Nederland.

De behoefte = iets wat je nodig hebt
Door reclame denken mensen soms dat ze behoefte hebben aan nieuwe spullen.

Actief zijn = druk bezig zijn
Christiaan is altijd zo actief. Hij kan geen minuut stilzitten.

Ondervinden = meemaken
Kijk uit met fietsen, want je zult veel hinder ondervinden van de sterke wind.

Het systeem = de manier om iets te regelen of te ordenen
Bert heeft een systeem voor het opbergen van z’n dvd’s.

De reeks = de rij van dingen die na elkaar komen
Dit is nummer 18 in de reeks stripboeken van Asterix en Obelix.

Maatregelen nemen = iets doen om te zorgen dat iets gaat zoals je wilt
Als je niet wilt natregenen, moet je maatregelen nemen. Je kunt bijvoorbeeld je regenpak meenemen.

Verschaffen = geven
Bij dit fototoestel verschaffen wij een gratis opbergtasje.

Voortkomen uit = ergens door komen
Dat er in deze buurt zo veel ratten zijn, komt voort uit het feit dat er zo veel eten op straat wordt gegooid.

Wijten aan = de schuld geven aan
Dat ongeluk is ook te wijten aan het slechte zicht op de snelweg.
WOORDEN VAN DE WEEK 15 (16 t/m 20 april)
Samenhangen met = te maken hebben met
De bankroof hangt waarschijnlijk samen met de ontsnapping van twee gevangenen.

De periode = een bepaalde tijd
In deze warme periode wordt er meer in huizen ingebroken, omdat de mensen de ramen open laten staan.

Ten koste gaan van = slecht zijn voor
Als je te lang in de zon zit, gaat dat ten koste van je huid. Die droogt dan uit.

Ergens van profiteren = ergens voordeel van hebben
De ijsverkoper profiteert van de warme zomer. Veel mensen hebben dan trek in ijs.

Beschikbaar = je kunt het gebruiken
De gemeente stelt geld beschikbaar om op school een nieuwe kantine te bouwen.

Zich bevinden = ergens zijn
Het gebouw van de Tweede Kamer bevindt zich in Den Haag.

Tamelijk = nogal, vrij
Bij ons in de buurt staat een tamelijk groot winkelcentrum, maar het is niet zo groot als dat in het centrum van de stad.

Het begrip = een belangrijk woord
‘Emigratie’ is een begrip bij aardrijkskunde.

De hinder = de last
Als je de deur dichthoudt, heeft Leila niet zo veel hinder van het lawaai van je radio.

Tonen = laten zien
Als je autorijdt, moet je altijd je rijbewijs kunnen tonen.
WOORDEN VAN DE WEEK 14 (19 t/m 23 maart)
Met name = vooral
Iedereen loopt het risico om te verbranden in die felle zon, maar met name kinderen verbranden snel.

Veronderstellen = denken dat het zo is
Joris is nog steeds niet op school. Ik veronderstel dat hij zich weer verslapen heeft.

Het gebrek aan = te weinig van iets
In die hete zomer was er een gebrek aan ventilatoren. Iedereen wilde er een hebben.

Aanzienlijk = groot of veel
Yusuf is aanzienlijk langer dan Wesley. Ze schelen wel 20 centimeter in lengte.

Inclusief = met … erbij
Wij hebben thuis drie kinderen. Inclusief mijn ouders zijn we dus met zijn vijven.

Definitief = voor altijd
Mijn beslissing is definitief. Ik verander niet meer van mening.

Vermijden = ervoor zorgen dat iets niet gebeurt of dat je er niet mee te maken krijgt
Sarah probeert ruzie met haar vriendin te vermijden. Daar houdt ze niet van.

Gering = weinig, klein
Anne heeft nog maar een gering deel van haar werkstuk gemaakt, maar ze is ook twee weken ziek geweest.

Matig = niet zo goed, leuk, mooi, enz.
Die film was maar matig. Ik heb veel betere films gezien.

t/m = tot en met
Wij zijn geopend van maandag t/m vrijdag, niet in het weekend.
WOORDEN VAN DE WEEK 13 (12 t/m 16 maart)
Uitsluitend = alleen maar
Je mag uitsluitend aan de rand van de stad parkeren, dus niet in het centrum.

Bereikbaar zijn = ergens bij kunnen komen
Die plaats is alleen met de auto bereikbaar. Met het openbaar vervoer kun je er niet komen.

Intensief = als je ergens veel tijd en aandacht aan geeft
Saïd is zo intensief met voetballen bezig dat hij nergens anders meer aan denkt.

m.b.v. (met behulp van) = met
M.b.v. een thermometer kun je zien hoe warm het buiten is.

Nauwelijks = bijna geen/ niet
Het was niet druk in de stad. Er waren nauwelijks mensen.

Voorzien zijn van = hebben
Ben jij al voorzien van pen en papier voor de speurtocht? Nee, ik heb nog niets gekregen.

Bewust = als je heel goed weet wat je doet
De jongen die in de metro betrapt werd zonder geldig vervoersbewijs, gaf bewust een verkeerd adres op.

Elders = ergens anders
Is meneer de Vries hier? Nee, die is elders in het gebouw.

Diverse = verschillende
Er zijn hier diverse mogelijkheden om te sporten. Je kunt voetballen, basketballen of badminton spelen.

De opvatting = de mening
Wat is jouw opvatting over dat toneelstuk? Ik vind het saai!
WOORDEN VAN DE WEEK 12 (5 t/m 9 maart)
Handhaven = zorgen dat iets blijft bestaan
We moeten onze voorsprong handhaven. Zorg dat de tegenpartij geen doelpunt meer kan maken!

Geleidelijk = langzaam maar zeker
De wielrenner werd steeds vermoeider. Hij ging dan ook geleidelijk steeds langzamer fietsen.

Vrijwel = bijna
Clyde gaat zaterdags vrijwel altijd voetballen. Alleen in de vakanties gaat hij niet.

De afwijking = iets wat niet klopt
Ik heb een afwijking aan mijn oog. Daardoor kan ik in de verte niet goed zien.

Dienen = moeten
Bij aankomst dient u zicht te melden bij loket 13.

Betrekkelijk = nogal
Het is pas half acht! Voor jouw doen ben je betrekkelijk vroeg opgestaan.

Aantreffen = zien, vinden
Op de Veluwe tref je veel verschillende diersoorten aan.

Ca. (circa) = ongeveer
Het wordt vandaag ca. 30 graden, misschien nog wel warmer.

Achtereenvolgens = in deze volgorde
De club won achtereenvolgens het landskampioenschap, de Europacup en de Wereldbeker.

Afwisselen = zorgen dat er steeds iets anders komt
Eet niet elke dag hetzelfde. Je moet een beetje afwisselen!
WOORDEN VAN DE WEEK 11 (20 t/m 24 februari)
De positie = de plaats waar iets of iemand is
Vanuit die positie kun je het schilderij niet goed bekijken. Je moet hier komen staan.

Slechts = (alleen) maar
Er waren weinig aanmeldingen voor het badmintontoernooi; slechts drie leerlingen wilden meedoen

Hoe…des te = hoe…hoe
Hoe harder je schreeuwt, des te meer straf krijg je.

De factor = iets/iemand waar je rekening mee moet houden, iets wat meespeelt
Halverwege het feest was het eten op. Dat was een van de factoren waardoor de mensen vroeg naar huis gingen.

Zodra = zo gauw als
Zodra de directeur de klas inkomt, houdt iedereen zijn mond.

Afnemen = minder worden
Het aantal fietsendiefstallen neemt af. Dat komt doordat er steeds sterkere sloten worden gebruikt.

Echter = maar
Je kunt proberen om vandaag een afspraak met de dokter te maken. Hij heeft het echter erg druk.

Vaststellen = onderzoeken en merken of iets zo is, bepalen
Met een thermometer kun je vaststellen of je koorts hebt.

Uniek = heel mooi en waardevol omdat er maar één van is
Dit schilderij is uniek. Daar kom je geen tweede van tegen.

e.d. = en dergelijke (= en dat soort dingen)
We verkopen hier allerlei snacks: loempia’s, kroketten e.d.
WOORDEN VAN DE WEEK 10 (13 t/m 17 februari)
Het onderdeel = het stukje
Murat hoeft niet het hele werkstuk te maken, Hij maakt er maar een onderdeel van.

Vanzelfsprekend = iedereen snapt dat het zo is
Het is vanzelfsprekend dat ik je straks even wegbreng, je gaat toch niet in je eentje door het donker?

Blz. = bladzijde
Op blz. 18 van de handleiding staat hoe u de dvd-speler kunt programmeren.

Stimuleren = aanmoedigen om iets te doen
De leraren stimuleren de leerlingen om meer te sporten. Daarbij geven ze zelf het goede voorbeeld.

Risico lopen = de kans hebben dat iets fout gaat
Als je geen goede zonnebrandcrème gebruikt, loop je het risico te verbranden

Beïnvloeden = zorgen dat iets gebeurt zoals jij wilt
De regering wil de mensen beïnvloeden om de auto minder te gebruiken. Daarom wordt de benzine duurder.

Reageren = iets terugdoen of terugzeggen
Als iemand een grapje maakt, moet je niet zo boos reageren!

Nuttig = handig, je hebt er wat aan
Dat is zo’n nuttig apparaatje! Je kunt er van alles mee doen

Het verschijnsel = iets wat gebeurt
Het is niet raar dat het hier vaak onweert. Dat is in dit gebied een normaal verschijnsel.

Vermelden = noemen of opschrijven
Sascha vergat haar adres te vermelden op haar sollicitatiebrief, dus ze kreeg geen antwoord.
WOORDEN VAN WEEK 9 (6 t/m 10 februari)
Beperken = verminderen
Je moet het aantal keren dat je uitgaat beperken. Je mag nog maar een keer per week in plaats van drie keer.

i.v.m. = in verband met
De winkel is vandaag gesloten i.v.m. een sterfgeval.

Veroorzaken = laten gebeuren, tot gevolg hebben
De ontploffing van het huis veroorzaakte een grote stofwolk.

Grondig = heel goed
De leraar bekeek het proefwerk van de leerling grondig, hij was er wel een half uur mee bezig.

Aanbrengen = ergens op doen
Je moet de pleister op een droge huid aanbrengen, anders laat hij gelijk weer los.

Aanpassen = iets voor een bepaald doel geschikt maken, veranderen
Als het regent passen we het programma aan, dan houden we het feest binnen.

Bevorderen = zorgen dat iets beter gaat
De regering wil het gebruik van openbaar vervoer bevorderen door de treinkaartjes goedkoper te maken.

Betrekking hebben op = te maken hebben met
Deze vraag heeft betrekking op tekst 6 en niet op tekst 4!

Het effect = het gevolg, het resultaat
Het effect van vaak te laat komen is dat je je de volgende dag om half acht moet melden.

De combinatie = het samengaan van twee of meer dingen of personen
Zuurkool met mandarijntjes is een heerlijke combinatie.

WOORDEN VAN DE WEEK 8 (16 tot en met 20 januari)
Ten goede komen aan = goed zijn voor
Vers fruit eten komt ten goede aan je gezondheid.

Gedurende = tijdens
Gedurende de lessen mag je niet eten, in de pauzes wel.

Logisch = dat begrijpt iedereen, dat spreekt vanzelf
Het is logisch dat het water hier sneller stroomt, want de rivier is hier smaller.

Het proces = de manier waarop iets groeit of gebeurt
De groei van baby tot kleuter is een heel proces.

o.a. (onder andere) = deze, maar ook andere
Er doen veel jongens uit 1B mee aan de voetbalwedstrijd, o.a. Richard, Ali, Rachid en Angelo.

De voorkeur = wat je het liefste kiest
Ik heb een voorkeur voor gebakken aardappelen. Die vind ik het lekkerst.

Variëren = wisselen, veranderen
Marijke trekt elke dag iets anders aan. Ze houdt ervan om haar kleding te variëren.

Overnemen = overschrijven
Neem de aantekeningen van het bord over in je schrift.

Vervangen = iets ergens voor in de plaats zetten
Als de batterij van je horloge op is, moet je die vervangen.

Aantasten = iets of iemand kapot maken
Het gebit van Chantal is aangetast door het eten van te veel snoep. Ze heeft gaatjes in al haar kiezen.
WOORDEN VAN DE WEEK 7 (9 tot en met 13 januari)
Oorspronkelijk = in het begin, eigenlijk
Nafiye woont al jaren in Nederland, maar oorspronkelijk komt ze uit Turkije

Bestemd voor = bedoeld voor
Dit pakketje is bestemd voor jou, want je naam staat erop.

i.p.v. = in plaats van
De wedstrijd begint om 15.00 uur i.p.v. om 16.00 uur.

Toenemen = meer of groter worden
Het aantal bezoekers van dat pretpark neemt toe. Dit jaar kwamen er 2.000 mensen meer dan vorig jaar.

De invloed = de macht om iemand of iets te veranderen
Bart heeft veel invloed op Joris. Vroeger was hij vaak somber, maar nu is Joris veel vrolijker geworden.

Het standpunt = hoe je over iets denkt
Mijn standpunt over de nieuwe straf voor te laat komen is niet interessant. Het gaat erom wat jij ervan vindt.

Beschouwen als = zien als
Sandro kent Jos erg goed. Hij beschouwt hem als zijn broer.

De uitzondering = iets wat niet vaak voorkomt
Het regent vaak in Nederland, maar een plensbui die meer dan een dag duurt, is echt een uitzondering.

Een rol spelen = belangrijk zijn
Of je gisteren wel of niet op school was speelt geen rol. Je moet je huiswerk afhebben!

Dienen voor = bedoeld zijn voor
Waar dient dat knopje voor? Daarmee schakel je het geluid aan en uit.
WOORDEN VAN WEEK 6 (19 tot en met 23 december)
Omstreeks = ongeveer op dat moment
Er is ingebroken omstreeks drie uur ’s nachts. We weten niet precies hoe laat er is
ingebroken.

Toepassen = gebruiken
Je moet die regel niet alleen uit je hoofd leren. Je moet hem ook toepassen, dus
gebruiken om die som op te lossen.

Schaars = als er weinig van iets is
In de oorlog was koffie schaars. Er was bijna geen koffie te krijgen.

Het conflict = de ruzie, het verschil van mening
De twee ministers hebben een ernstig conflict. Ze zijn het helemaal niet eens over
de aanleg van een nieuwe snelweg.

De overvloed = er is meer dan nodig is
Er is een overvloed aan eten. Neem zo veel als je wilt.

Blootstaan aan = niet beschermd zijn tegen
Je mag niet te veel blootstaan aan radio-actieve straling. Het kan gevaarlijk zijn
als die straling in je lichaam komt.

n.a.v. (naar aanleiding van) = als gevolg van
N.a.v. de inbraak is er nu een alarminstallatie op school.

De reactie = iets wat je terugzegt of terugdoet
De directeur gaf een reactie op de plannen van de leerlingen voor de nieuwe
kantine. Hij was er heel enthousiast over.

Opheffen = ergens een eind aan maken
De burgemeester heeft het stadionverbod voor de voetbalsupporters opgeheven.
Ze mogen in het nieuwe seizoen weer naar de voetbalwedstrijden.

Het motief = de reden (waarom je iets doet)
De buurt waar wij wonen bevalt ons prima. We hebben geen enkel motief om te
verhuizen.
WOORDEN VAN WEEK 5 (12 tot en met 16 december)
Selecteren = uitkiezen
Als je mee wilt doen aan de musical moet je auditie doen. Daarna worden de
beste zangers en dansers geselecteerd.

Noteren = opschrijven
Als een leraar iets op het bord schrijft, moet je dat meestal noteren in je schrift.

Verrichten = doen
De conciërge heeft veel werk verricht voor het schoolfeest. Hij heeft alle frisdrank
gehaald en de muziek geregeld.

De relatie = het verband, als dingen met elkaar te maken hebben
Er is een relatie tussen mooi weer en de verkoop van ijsjes. Als het mooi weer is,
worden er meer ijsjes verkocht.

Blijken = duidelijk worden
Je kunt wel zeggen dat je huiswerk maakt, maar telkens blijkt weer dat dat niet
zo is.

m.i.v. = met ingang van
M.i.v. 10 januari mag u hier niet meer parkeren. Auto’s die hier dan nog staan,
worden weggesleept.

Zowel …. als = niet alleen, maar ook
Sandra houdt zowel van voetbal als van handbal. Ze vindt beide sporten leuk.

Het kenmerk = iets waaraan je iets of iemand kunt herkennen
Een van de kenmerken van vogels is dat ze kunnen vliegen.

Gemeenschappelijk = iets wat je samen hebt
Die broer en zus hebben veel gemeenschappelijk. Ze zitten bij elkaar op school en
ze zitten ook op dezelfde sportclub.

Behalve = maar … niet
Iedereen gaat naar de film, behalve Barbara. Zij blijft thuis, want ze is ziek.
WOORDEN VAN WEEK 4 (5 tot en met 9 december)
Overzichtelijk = zo netjes en duidelijk dat je iets snel kunt vinden
De bibliotheek is heel overzichtelijk ingedeeld. Als je binnenkomt zie je meteen waar je alles kunt vinden.

Bieden = geven
Wij bieden u een ruime keus aan spijkerbroeken.

Bevatten = erin zitten
Let op:dit schoonmaakmiddel bevat giftige stoffen.

De overeenkomst = iets wat hetzelfde is
De overeenkomst tussen die dieren is dat ze allebei hetzelfde eten.

z.s.m. (zo spoedig mogelijk) = zo snel mogelijk
Lever je werkstuk z.s.m., maar niet later dan vrijdag in.

Sociaal zijn = graag bij anderen zijn en rekening met ze houden
Ricardo is heel sociaal. Hij heeft veel vrienden en staat altijd voor iedereen klaar.

De verklaring = de uitleg
Geef een verklaring voor je antwoord. Schrijf dus op waarom je antwoord goed is.

Afhankelijk zijn van = niet zonder iets of iemand kunnen
Een baby is afhankelijk van mensen die hem verzorgen.

Constant = de hele tijd, altijd
Die jongen is constant vervelend. Hij houdt maar niet op.

De concurrentie = het beter of sterker willen zijn dan een ander
Tussen die twee bakkers bestaat een enorme concurrentie. Ze proberen allebei zo veel mogelijk klanten te krijgen.
WOORDEN VAN WEEK 3 (28 november tot en met 2 december)
Beschikken over = hebben, kunnen gebruiken
Leerlingen die thuis niet over een computer beschikken, kunnen in het computerlokaal werken.

Dankzij = door
Dankzij de operatie kan de gewonde soldaat nu weer lopen.

Enz. (enzovoorts) = en nog meer van die dingen
In de kantine kun je alles krijgen: fruit, snoep, broodjes, enz.

Rechtstreeks = zonder omweg
Ik ga niet met een omweg naar huis. Ik ga rechtstreeks.

Via = langs, door
Als je met de trein vanuit Nederland naar Duitsland gaat, ga je via Emmerich of Venlo.

Het signaal = het teken
De lichten gingen uit. Dat was het signaal dat de film zou beginnen.

Ontwerpen = iets bedenken en tekenen
Sylvia ontwerpt prachtige jurken. Ze tekent het model voor de jurk helemaal zelf.

Verantwoordelijk zijn voor = moeten zorgen dat iets goed gaat met
Een dokter is verantwoordelijk voor zijn patiënten. Hij moet goed op hun gezondheid letten.

Afhangen van = alleen gebeuren als iets anders gebeurt
Of je naar het schoolfeest mag, hangt af van je rapport. Als het niet goed is, blijf je thuis.

Aangenaam = fijn, prettig
Het water in het zwembad had een aangename temperatuur. Het was niet te warm en niet te koud.
WOORDEN VAN WEEK 2 (21 tot en met 25 november)
Toevoegen = erbij doen, erbij stoppen
Als je verse peper aan de soep toevoegt, wordt hij veel lekkerder.

d.m.v. (door middel van) = door
D.m.v. het invullen van deze bon kunt u informatie opvragen over onze cursussen.

Vastleggen = iets opschrijven om het te onthouden
In het rooster is vastgelegd op welk uur je welke les hebt.

Bepalen = beslissen, uitvinden
Je moet zelf bepalen of je meegaat naar dat feestje of niet.

Geregeld = vaak
Leerlingen die geregeld te laat komen, worden geschorst.

Overtollig = te veel
Alle leerlingen van klas 2c kregen een T-shirt. De overtollige T-shirts werden verloot onder leerlingen van andere klassen.

Trachten = proberen
De politie trachtte de demonstranten weg te jagen met traangas, maar dat lukte niet.

Verscheidene = verschillende
U kunt kiezen uit verscheidene gerechten: vlees, vis of vegetarisch.

Samenstellen = van verschillende stukken één geheel maken
De leerlingen stelden met de mentor het programma voor de werkweek samen.

Overbodig = niet nodig
Met dit warme weer hoef je geen trui aan. Dat is overbodig.
WOORDEN VAN WEEK 1 (14 tot en met 18 november)
WOORDEN VAN WEEK 1 (14 tot en met 18 november)

zelfstandig = alleen, zonder hulp
Als je je altijd laat helpen, leer je nooit om zelfstandig je band te plakken.

alternatief = andere, anders dan de gewone
Met gewone medicijnen komt Bert niet van die hooikoorts af, daarom probeert hij het nu met alternatieve geneesmiddelen.

absoluut = helemaal, totaal
Jij wilt dan wel naar de bioscoop vanavond, maar ik ben het er absoluut niet mee eens dat je in die kou weggaat.

vanwege = om die reden
Vanwege een doktersbezoek is Farid wat later op school.

meespelen = belangrijk zijn bij iets
Er zijn veel zaken die belangrijk zijn bij het kopen van kleren: de kleur, het model en de prijs, het speelt allemaal mee.

de eigenschap = iets wat duidelijk bij iets of iemand hoort
Zijn slechte eigenschap is dat hij veel rookt, maar een goede eigenschap van Joost is dat hij heel eerlijk is.

het symbool = het teken
Het hart is het symbool voor de liefde.

overige = andere, verdere
Alle leerlingen die hun werk afhebben mogen naar huis. De overige leerlingen moeten hun werk na schooltijd afmaken.

baseren op = uitgaan van
De politie denkt dat de brand in dit huis is aangestoken. Zij baseert dit op verhalen van getuigen die er iemand met benzine hebben gezien.

a.s. (aanstaande) = komende, eerstvolgende
A.s. maandag is er een groot feest op school!
Copyright (c) 2007 Alfrink College   Gebruikersovereenkomst  Privacybeleid