 |
|
 |
 |
| WOORDEN VAN WEEK 3 (28 november tot en met 2 december)
|
|
|
|
 |
 |
Beschikken over = hebben, kunnen gebruiken Leerlingen die thuis niet over een computer beschikken, kunnen in het computerlokaal werken.
Dankzij = door Dankzij de operatie kan de gewonde soldaat nu weer lopen.
Enz. (enzovoorts) = en nog meer van die dingen In de kantine kun je alles krijgen: fruit, snoep, broodjes, enz.
Rechtstreeks = zonder omweg Ik ga niet met een omweg naar huis. Ik ga rechtstreeks.
Via = langs, door Als je met de trein vanuit Nederland naar Duitsland gaat, ga je via Emmerich of Venlo.
Het signaal = het teken De lichten gingen uit. Dat was het signaal dat de film zou beginnen.
Ontwerpen = iets bedenken en tekenen Sylvia ontwerpt prachtige jurken. Ze tekent het model voor de jurk helemaal zelf.
Verantwoordelijk zijn voor = moeten zorgen dat iets goed gaat met Een dokter is verantwoordelijk voor zijn patiënten. Hij moet goed op hun gezondheid letten.
Afhangen van = alleen gebeuren als iets anders gebeurt Of je naar het schoolfeest mag, hangt af van je rapport. Als het niet goed is, blijf je thuis.
Aangenaam = fijn, prettig Het water in het zwembad had een aangename temperatuur. Het was niet te warm en niet te koud.
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
| WOORDEN VAN WEEK 1 (14 tot en met 18 november)
|
|
|
|
 |
 |
WOORDEN VAN WEEK 1 (14 tot en met 18 november)
zelfstandig = alleen, zonder hulp Als je je altijd laat helpen, leer je nooit om zelfstandig je band te plakken.
alternatief = andere, anders dan de gewone Met gewone medicijnen komt Bert niet van die hooikoorts af, daarom probeert hij het nu met alternatieve geneesmiddelen.
absoluut = helemaal, totaal Jij wilt dan wel naar de bioscoop vanavond, maar ik ben het er absoluut niet mee eens dat je in die kou weggaat.
vanwege = om die reden Vanwege een doktersbezoek is Farid wat later op school.
meespelen = belangrijk zijn bij iets Er zijn veel zaken die belangrijk zijn bij het kopen van kleren: de kleur, het model en de prijs, het speelt allemaal mee.
de eigenschap = iets wat duidelijk bij iets of iemand hoort Zijn slechte eigenschap is dat hij veel rookt, maar een goede eigenschap van Joost is dat hij heel eerlijk is.
het symbool = het teken Het hart is het symbool voor de liefde.
overige = andere, verdere Alle leerlingen die hun werk afhebben mogen naar huis. De overige leerlingen moeten hun werk na schooltijd afmaken.
baseren op = uitgaan van De politie denkt dat de brand in dit huis is aangestoken. Zij baseert dit op verhalen van getuigen die er iemand met benzine hebben gezien.
a.s. (aanstaande) = komende, eerstvolgende A.s. maandag is er een groot feest op school!
|
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |
|
 |
|
 |
|
 |